Nadere Reformatie (3)

Inleiding

In de vorige blog hebben we stil gestaan bij de oorzaken of de aanleiding van het ontstaan van de Nadere Reformatie In deze derde blog willen we stil staan bij de verbreiding van de Nadere Reformatie in Nederland.

De verbreiding van de Nadere Reformatie

De Nadere Reformatie is geen werk geweest van een enkel individu. Al heel snel sloot de broer van Willem Teellinck, Ewout Teellinck, zich bij hem aan. Ewout Teellinck bekleedde de functie van ontvangergeneraal van de Staten van Zeeland. Daarnaast sloten zich de naburige collega’s Godefridus Udemans en Josias van den Houte bij Willem Teellinck aan. In 1613 nam deze het beroep aan naar Middelburg. In deze plaats vond hij niet alleen een medestander in zijn broer Ewout, maar ook in de schoolmeester Johannes de Swaef (1594-1653). Deze schreef een opvoedkundig handboek en werd daarmee de pedagoog van de Nadere Reformatie. Dit handboek kwam in 1621 uit onder de titel De Geestelijke Queeckerye.

De beweging van de Nadere Reformatie verspreidde zich al vrij snel over de zeven provincies van de Nederlanden. Dit bleek o.a. op de Zuid-Hollandse synode te IJsselstein in 1626. Daar trad Teellinck, predikant uit Zeeland, samen met twee collega’s die onder Zuid-Holland ressorteerden, namelijk Gisbertus Voetius en Johannes Spiljardus, op als driemanschap om de kwestie van de strenge sabbatsviering te verdedigen.[1] Deze predikanten hadden grote invloed in Zuid-Holland.

De echte doorbraak van de Nadere Reformatie kwam in de periode 1634-1676 toen Gisbertus Voetius professor was aan de universiteit te Utrecht. Tijdens zijn meer dan veertigjarige professoraat werd de zaak van de Nadere Reformatie op een academisch niveau getild. In zijn Sermoen van de nuttigheid der Academiën ende scholen (1636) werd op een duidelijke wijze aandacht geschonken aan de Nadere Reformatie. Al in 1628 had Voetius in de Proeve van de Cracht der Godtsaligheyt laten zien wat zijn drijfveren waren.

Vanaf de tijd dat Voetius professor was, werd Utrecht het centrum van de Nadere Reformatie. Als hoogleraar heeft hij in zijn praktisch-theologisch en pastoraal onderwijs grote aantallen studenten in nader-reformatorische zin toegerust, waardoor de beweging één van de belangrijkste richtingen binnen de Gereformeerde Kerk werd. Dankzij zijn inzet werden er te Utrecht aanvankelijk hoogleraren in de theologie benoemd die zijn voorliefde voor de praktijk der godzaligheid deelden: Carolus de Maets, Meinardus Schotanus, en Voetius’ leerlingen Johannes Hoornbeeck en Andreas Essenius. Met de overgang van Hoornbeeck in 1654 naar de Leidse universiteit kreeg ook deze onderwijsinstelling met het streven naar de Nadere Reformatie te maken.[2] Door middel van het onderwijs via de universiteiten verspreidde de beweging zich in korte tijd door geheel Nederland, maar ook daarbuiten.

De invloed van de Nadere Reformatie werd door de overheid met argusogen bekeken. In de Tachtigjarige Oorlog werd gewest op gewest bevrijd van onder het Spaanse juk. In die plaatsen werd de gereformeerde eredienst ingesteld. De overheden hadden daar een belangrijke taak in. Door de opstelling van prins Maurits tijdens de strijd met de Arminianen werd de rol van de overheid ook duidelijk. Ondanks de eenheid tijdens de synode 1618-1619 was er ook een verscheidenheid van meningen. Vele overheidspersonen beschouwden de voorschriften voor de zondagsheiliging, het gezin, het maatschappelijke leven, enz. als puriteinse nieuwigheden. Vooral de invloed van de nadere reformatoren op het gewone volk vonden zij gevaarlijk. De overheid nam het niet als zij vanaf de preekstoel bekritiseerd werd, zeker als het de levenswandel en – handel van haar eigen leden betrof.

Op sommige plaatsen kwam het tot conflicten met de overheid, zoals in Utrecht toen de predikanten Johannes Teellinck en Abraham van der Velde verbannen werden[3]. Hetzelfde lot trof ook Jacobus Koelman te Sluis, die zich afzette tegen het gebruik van de formuliergebeden en de feestdagen. Aan de andere kant huiverde de overheid om martelaren te maken van de nadere reformatoren, die het volk wel om zijn zonden striemden, maar die door datzelfde volk ten diepste toch als hun ware herders gezien werden.[4] In een later stadium zag men dat de Coccejanen voorgetrokken werden in het beroepen van predikanten, vanwege het feit dat deze minder precies waren in de handel en wandel dan de Voetianen.

H. Koopman


[1] Op ’t Hof, W.J. e.a., Nadere Reformatie: opnieuw een poging tot begripsbepaling, uitgave 1995, paragraaf V1.1.

[2] Op ’t Hof, W.J. e.a., Nadere Reformatie: opnieuw een poging tot begripsbepaling, uitgave 1995, paragraaf V1.2.

[3] De Vrijer, M.J.A., Schortinghuis en zijn analogieën, uitgave Amsterdam 1942, 24.

[4] De Vrijer, M.J.A., Schortinghuis en zijn analogieën, uitgave Amsterdam 1942, 11.

Comries puriteinse erfenis (2)

In 1741 gaf Alexander Comrie (1706-1774) Eene beschouwing van het Verbondt der Genade uit. Het gaat om een Nederlandse vertaling van A View of the Covenant of Grace (1734) van Thomas Boston (1676-1732). Bostons gedachten over het genadeverbond gingen in de jaren twintig van de achttiende eeuw steeds meer rijpen.[1] Hij deed studie naar dit onderwerp en hield er preken over, waarvan de laatste twee gehouden zijn in juni 1724. Hoewel Bostons boek in juni 1729 werd voltooid, kwam het postuum uit in een uitgave die door zijn zoon Thomas werd verzorgd.[2]

Titelpagina van de Nederlandse vertaling uit 1741

Boston gaat uit van twee verbonden, namelijk het werkverbond en het genadeverbond. Het verbond der verlossing en het genadeverbond zijn volgens hem één verbond. Hierin onderscheidt Boston zich van andere theologen in zijn tijd die wel duidelijk onderscheid maakten tussen deze verbonden. Gods genadeverbond is volgens Boston gesloten met Christus als het representerend hoofd van Zijn geestelijke zaad, de uitverkorenen. In zijn boek gaat Boston in op het maken, het belovend deel, het voorwaardelijke deel, de partijen en de bediening van dit verbond. Verder noemt hij de kenmerken waaraan men kan zien of men zaligmakend deelt in het genadeverbond. Het boek sluit af met de manier waarop zondaren persoonlijk in het genadeverbond worden gebracht. Boston onderstreept dat het heil voor zondaren voortvloeit uit Gods eeuwige raad in Christus. Christus heeft de zaligheid voor de uitverkorenen verworven door Zijn gehoorzaamheid en lijden. Daarmee vervulde Hij de voorwaarde van het verbond. Verder past Hij de zaligheid toe in de tijd. De uitverkorenen worden door de Geest geroepen door middel van het evangelie. Zij worden door het geloof met Christus verenigd, gerechtvaardigd, aangenomen, geheiligd en zalig gemaakt. Zo wordt de belofte van het verbond vervuld en ontvangt het geestelijke Zaad van Christus de eeuwige heerlijkheid.

Aan het oorspronkelijke werk zit een bijlage vast over het zich persoonlijk verootmoedigen en vasten, en het zich verootmoedigen en vasten als gezin. Daarbij komt het persoonlijke verbondsluiten met God en de manier waarop men dit kan doen, aan de orde. Boston geeft hier een voorbeeld van.[3] Bostons bijlage heeft Comrie echter niet meegenomen in zijn vertaling. Comrie, noemde Boston, die hij goed kende, uitmuntend geleerd en voorbeeldig godvruchtig. Bijzonder is dat aan de Nederlandse vertaling nog een verhandeling over het werkverbond is toegevoegd van de theoloog van Woubrugge. Verder bevat het werk een aanprijzende voorrede van Hugh Kennedy (1698-1764), vanaf 1737 predikant van de Schotse Kerk te Rotterdam. Comrie had Kennedy hierom gevraagd en laatstgenoemde was blij met Comries vertaling. Hij hoopte dat het boek net als in het Verenigd Koninkrijk, ook in Nederland gezegend zou worden.

De Nederlandse vertaling bevat een lofdicht van J. van Wyck. Hij refereert daarbij nog aan Comries vorige vertaling van Marshall over de evangelische heiligmaking. We mogen ‘noesten Comrie’ ook dankbaar zijn voor deze vertaling:

Wat dank past ons dan niet aan Comrie mag ik vragen?

Als een geleerden Tolk, in Nederduytsch gewaadt,

Wou kleeden; en nog meer, wat daar en boven gaat

Hier heeft zeer deftiglyk, het werkverbondt beschreven;

Dr. D. Baarssen


[1] E.J. Brouwer, ‘Inleiding’ in T. Boston, Het genadeverbond, Kampen 2000, 9-25.

[2] L.J. van Valen, Thomas Boston een visser der mensen, Houten 1989, 184-192.

[3] T. Boston, A view of the Covenant of Grace from the sacred records, Edinburgh 1734, 446-448.

Research Center Puritanism and Piety (ReCePP)

Nieuwsbrief Research Center Puritanism and Piety (ReCePP)

Samenwerkingsverband tussen Hersteld Hervormd Seminarie (HHS) (aan FRT, VU Amsterdam) en TUA

  • Op D.V. donderdag 3 februari van 15:00 tot 17:00 uur organiseren we een online boekpresentatie van Pietism and the Sacraments. The Life and Theology of August Hermann Francke van Peter Yoder. Voertaal: Engels, vragen mogen ook in het Nederlands gesteld worden. Zie ook deze flyer.
  • Wilt u meer kennis en inzicht verwerven in theologie en vroomheid van puriteinen en evangelicalen? Volg dan een (keuze)module aan TUA of VU. 
  • Er is een nieuw blog verschenen, namelijk over Alexander Comries puriteinse erfenis.
  • Dr. Jan van de Kamp heeft de Duitse Olevianus-prijs gewonnen. Hij krijgt deze in 2022 in Trier uitgereikt tijdens een studiedag van de Caspar-Olevian-Gesellschaft.
  • Jason Zhao bereidt onder supervisie van dr. Adriaan Neele (PRTS Grand Rapids), prof. Selderhuis en dr. Van de Kamp een proefschrift voor over de ethiek van Wilhelmus à Brakel. Was dit een plicht- of een deugdethiek? Hier stelt Jason zich voor.
  • Onlangs verscheen een Nederlandse vertaling van een boek van de bekende opwekkingsprediker Jonathan EdwardsDe geschiedenis van het heil (Apeldoorn: De Banier). U kunt de livestream van de presentatie, waaraan prof. dr. W. van Vlastuin een bijdrage leverde, hier terugkijken.
  • Enkele lezingen van het SSNR-congres van afgelopen september over de piëtistische visie op epidemieën in de Nederlanden kunt u hier terugluisteren.

Deel dit bericht met uw achterban, via uw website, nieuwsbrief, krant, tijdschrift, e.d.

Met vriendelijke groet,

Jan van de Kamp (HHS/VU)

Herman Selderhuis (TUA)

Comries puriteinse erfenis (1)

Alexander Comrie (1706-1774), de theoloog van Woubrugge, wordt in de gereformeerde gezindte in Nederland gewaardeerd om zijn publicaties. Bijzonder is dat Comrie als geboren Schot zijn geschriften liet verschijnen in de Nederlandse taal. Daarnaast is Comrie heel zijn leven actief geweest om het puriteinse gedachtegoed in Nederland te introduceren en te bevorderen. Hetzij door zelf puriteinse vertalingen uit te geven of vertalingen te voorzien van een voorwoord met de nodige aanbevelingen. In een serie blogs schrijf ik over deze inspirerende arbeid van Comrie.

Titelpagina van de eerste druk uit 1739.

Een bekend werk dat Comrie op de Nederlandse markt liet verschijnen, is De verborgentheit van de Euangelische Heiligmaking (Leiden 1739) van de puritein Walter Marshall (1628-1680)[1]. Het gaat om een vertaling van The Gospel Mystery of Sanctification opened (1692), een puriteinse klassieker. Het is verdeeld in veertien afdelingen  (‘directions’). Aan de orde komen: 1. De genademiddelen; 2. De vereisten voor de heiliging; 3. De vereniging en gemeenschap met Christus; 4. Het evangelie en het geloof in Christus; 5. De noodzaak van de vereniging en gemeenschap met Christus; 6. Aansporing om het heil niet te zoeken in de werken van de wet; 7. Bekering is geen voorwaarde voor het komen tot Christus; 8. Er is alleen heiliging na de vereniging met Christus; 9. De troost van het evangelie; 10. De noodzaak van heilszekerheid; 11. Aansporing tot geloof in Christus; 12. Aansporing om door het geloof de plichten te volbrengen; 13. Aansporing om gebruik te maken van de genademiddelen en 14. Bemoediging uit de voordelen van de evangelische heiligmaking.

In zijn voorwoord aan de lezer (gedateerd 13 augustus 1739) schrijft Comrie dat hij al acht jaar geleden begonnen was met het vertalen van dit werk, dus in 1731. Het werk liep vertraging op door Comries studie. We weten dat Comrie in 1734 in Leiden promoveerde in de filosofie. Deze studie heeft wel verwantschap met Comries vertaling, omdat Comrie in zijn dissertatie ingaat op het fundament en het karakter van de deugd. Comrie verhaalt verder in zijn voorrede hoe Marshall teleurgesteld was geworden in de werken van Richard Baxter. Uiteindelijk werd Marshall verlost van de wettische manier waarop hij de heiliging zelf probeerde uit te werken. Hieruit werd het geschrift over de evangelische heiliging geboren. Om misverstanden te voorkomen, geeft Comrie de lezer nog tien contextuele opmerkingen met betrekking tot het werk mee. Daarmee introduceerde Comrie het befaamde werk van Walter Marshall in de Nederlandse taal.

Dr. D. Baarssen

1. Beeke and Pederson, Meet the puritans, tweede druk 2007, 415-418.

‘Rhetorfortis, fortis rhetor’: Anna Maria van Schurmans Latijnse gedicht ter ere van de ‘krachtige redenaar’ Samuel Rutherford

© Pieta van Beek

‘Schotland gaf ons zoveel heldere verlichte geesten, vooral de sterke redenaar Rutherford’ (r.1-3), zo prijst Anna Maria van Schurman de Schotse predikant en hoogleraar Samuel Rutherford (c. 1600-1661) in een Latijns gelegenheidsgedicht dat een woordspeling op zijn naam bevat: Rhetor fortis, krachtige redenaar. Ze doelt op de invloed van het Schotse puritanisme en met name dat van Rutherford, één van de grote Schotse godgeleerden in de vroegmoderne tijd.

Hij had als presbyteriaan in zijn strijd tegen overheidsinmenging in politiek en kerk veel in het Engels en Latijn geschreven. Bekend stond hij ook om zijn strijd tegen de moderne volgelingen van Pelagius, de arminianen die dachten dat de mens op eigen kracht Gods geboden kon onderhouden en de eigen zaligheid kon bewerken (r. 7). Daar tegenover zette hij het ‘sola gratia’ (r. 7): door genade alleen wordt een mens gered. Rutherford schreef en preekte daar ook op een mystieke manier over die vaak overvloeide van Hoogliedverwijzingen. Veel invloed oefende hij uit door zijn vrome brievenboeken.

In 1651 was hij na het overlijden van Carolus Dematius in Utrecht benoemd als hoogleraar en collega van Voetius, maar hij had bedankt. Vanaf 1637 was hij ononderbroken hoogleraar godgeleerdheid aan de universiteit van St. Andrews geweest, tot Charles II in 1660 als koning op de troon kwam en Rutherford werd afgezet. Zijn vroege dood heeft waarschijnlijk zijn executie voorkomen. Hij was daarentegen bij anderen zo geliefd dat mensen in zijn graf begraven wilde worden.

Van Schurman beheerste het Engels zodanig dat ‘sy […] de uyt-nemende Theologische boecken by den Engelschen uyt-gegeven, lesen ende gebruycken konde’, aldus Jacob Cats in 1637. Veel Engelse en Schotse puriteinse schrijvers stonden bij haar op de plank zoals Guthrie, Bayly, Ames, Perkins en Durham. Ook Rutherfords werk kende ze goed. In de labadistenbibliotheek stond zijn invloedrijke boek Lex Rex, een boek dat in 1660 in Engeland en Schotland nog in het openbaar verbrand werd vanwege de kritiek op het vermeende goddelijke gezag van koningen en bisschoppen.

Het Latijn was de voertaal voor mannelijke geleerden in heel Europa en in hun Latijnse gelegenheidsgedichten werd rondgestrooid met verwijzingen naar de klassieke oudheid. Daar hadden ook godgeleerden toen geen bezwaar tegen. Rutherford schreef bijvoorbeeld zo’n Latijns gedicht op een Hebreeuwse grammatica (1644) en Voetius prees Van Schurman in een Latijns en Grieks lofdicht als het negental Muzen bij elkaar (1654). Weinig vrouwen in Nederland beheersten het Latijn zo goed dat ze erin dichten konden, maar Anna Maria van Schurman schreef en publiceerde die gedichten, in tegenstelling tot haar overwegend vrome Nederlandstalige gedichten die vooral in manuscript circuleerden of in andermans werk gedrukt werden.

Van Schurman had contacten door heel Europa en schreef tal van teksten en gelegenheidsgedichten in het Latijn, Hebreeuws, Grieks, Arabisch en Frans voor een wijde kring mensen van verschillende christelijke denominaties en andere geloven, in Engeland en Ierland bijvoorbeeld voor koningin Henrietta Maria, Bathusa Makin, John Owen, Archibald Hamilton en Dorothea Moore. Haar geleerde broer Johan Godschalck van Schurman reisde ook naar Engeland en bezorgde dan haar brieven en boeken, maar of hij ook in Schotland geweest is?

De aanleiding voor het gedicht ‘Rhetor fortis’ was het postuum verschijnen van Rutherfords polemische, Latijnse boek Examen Arminanismi (najaar 1668, Utrecht). Het boek bevat vroegere collegestof en beslaat 20 hoofdstukken, onder andere over het arminianisme, God en de Drie-eenheid. Het boek begint met een eervolle Latijnse opdracht aan Anna Maria van Schurman waarin ze geprezen wordt als ‘onze Utrechtse Minerva, maar niet heidens, wel christelijk; geen godin, maar een aanbidster van de ware God; niet fictief, maar een levend wezen.’

De korte brief van de Glasgowse predikant Robert Macward die erop volgt, laat zien dat hij als oud-student en goede vriend van Rutherford het manuscript had verzorgd en het via vader en zoon Traill in Utrecht bij hoogleraar Matthias Nethenus had laten brengen. Deze moest dan een editie maken en het uitgeven. Hierop volgt nog een kort, positief Judicium (beoordeling) van Voetius en Essenius waarna een lange inleiding is opgenomen in de vorm van een brief aan de lezer van Nethenus.

Macward kende Van Schurman blijkbaar goed uit zijn Rotterdamse en Utrechtse periode (1661-1676). Naast Nethenus was hij dan ook de drijvende kracht achter de fraaie opdracht van de Epistola Dedicatoria aan haar. Haar gedicht kunnen we behalve als een lofdicht op het postume boek van Rutherford, ook lezen als dankwoord voor deze opdracht. Het zou niet misstaan hebben als drempelgedicht in dit boek. Maar het gedicht bleef in manuscript en belandde in Schotland in het archief van Robert Wodrow (1679-1734).

Het epigram (12 regels) bestaat uit zes traditionele elegische disticha (een zesvoetige hexameter, gevolgd door een vijfvoetige pentameter). In dit korte gedicht prijst Van Schurman Rutherford als de belangrijkste geleerde Schot. Zijn stralende ster is het meest zichtbaar te midden van sterren van de zesde grootte. Volgens de klassieke astronoom Hipparchus (190-120 v Chr.) verliep de zichtbaarheid van sterren van grootte 1 tot 6. Rutherford als eerste ster, was volgens zijn berekeningen dan 100 keer meer zichtbaar dan een ster van de zesde grootte. Later zou Van Schurman in haar autobiografie zichzelf ook een sterretje van de zesde grootte noemen, net met het blote oog zichtbaar.

Van Schurman prijst Rutherford en dit boek, niet alleen door de functionele kapitalen waarin zijn naam geschreven wordt: RHETOR FORTIS, FORTIS RHETOR, zowel in de titel als in de tekst, maar ook in het woord GRATIA (genade). Andere accenten zijn het instemmende uitroepteken na r. 1 waarin de vele Schotse schrijvers geprezen worden, haar initialen die ze net als elders vervlecht (AM) en het alternatieve zesde distichon (r. 11-12) waarin ze in net iets andere bewoordingen herhaalt wat ze belangrijk vindt: genade die vurige liefde opwekt, net als dit boek doet.

Het is duidelijk te zien dat het gedicht uit een latere periode van haar leven stamt, niet alleen omdat de klassieke verwijzingen vrijwel ontbreken, net als in het tweede deel van haar Eukleria. Ook is haar kalligrafie eenvoudiger in vergelijking met vroeger werk dat meestal weelderige, kunstige kadellen laat zien. Ze schreef het gedicht dan ook kort voor haar overgang naar de labadisten die de blueprint van Handelingen 2 radicaal na wilden bootsen.

Foto: Pieta van Beek

Transcriptie en vertaling van het epigram

Jn Librum postumum
Beatae memoriae Domini Samuelis RHETORFORTIS Epigramma AM. à Schurman.

Scotia clara dedit nostris quot Lumina seclis!
Unde novum in nostro spargitur Orbe jubar.
Hos inter FORTIS solet hic splendescere RHETOR.
Prae classe vt sexta sidera prima micant.
Suspice doctrinam, Lector, mentemque profundam; (5)
Sublimesque animos hic reverenter habe:
Pelagii fastus procul est, mera GRATIA vincit,
Quae simul excelsum, vere humilemque facit.
Haec sola accendit Divino pectus amore,
Hincque ignes similes pagina lecta, paret (10)

Vel sic:
Illa quoque accendit Divinis pectora flammis
Atque ignes similes pagina docta parit.

Epigram van A.M. van Schurman op het postume boek dat gewijd is aan de gelukkige herinnering van de heer Samuel RUTHERFORD

Schotland gaf aan onze tijd zoveel heldere lichten!
Vandaar wordt een nieuw licht in onze wereld verspreid.
Tussen hen in staat deze Sterke Redenaar RUTHERFORD steeds te schitteren, zoals de belangrijkste sterren stralen in vergelijking met sterretjes van zesde grootte.
Lezer, kijk op naar zijn grondige geleerdheid en doordringend intellect (5) en houd hier zijn verheven geest met eerbied in acht. De hoogmoed van Pelagius is verbannen; de zuivere GENADE overwint, die mensen verheft én werkelijk nederig maakt. Deze genade alleen ontsteekt het hart in goddelijke liefde en vandaar verschijnt door dit speciale boek soortgelijk vuur. (10)

Of zó:
Deze genade ontsteekt ook de harten in goddelijke vlammen en het geleerde boek brengt ook soortgelijk vuur voort.

Met dank aan Frans Huisman en Jeroen Kloosterman die mij in 2011 op dit gedicht wezen. Het ligt in de National Library of Scotland, Edinburgh, Wodrow Papers. Fol. LX. Nr. 122 waar ik in 2012 de foto nam. Eveneens dank ik mijn klankbord Nelleke Ganzevoort.

Over Anna Maria van Schurman en haar Neo-Latijnse poëzie, zie www.annamariavanschurman.org, publications, o.a. Van Beek 1997 (Klein Werk), Van Beek 2002 (Women Writing Latin), Van Beek 2003 ‘Pallas Ultrajectina, bis quinta darum’ de Neolatijnse dichtkunst van Anna Maria van Schurman […]; Van Beek 2010, The first female university student Anna Maria van Schurman (1636), http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/235540, passim; Van Beek 2011 (over erotische Latijnse gedichten foutief op Van Schurmans naam); Van Beek m.m.v. J. Bürman 2016 (Ex Libris, over de bibliotheek); J. Stevenson, Women Latin Poets: language, gender, and authority, from antiquity to the eighteenth century. Oxford: Oxford University Press, 2005; S. Rutherford & M. Nethenus, Examen arminianismi […]. Ultrajecti: Antoni Smytegelt, 1668; A. Bonar, Letters of Samuel Rutherford. Edinburgh, The Banner of Truth Trust, 2012; J. Kloosterman, Theologische werken van Samuel Rutherford. Deel 1-5; Apeldoorn, De Banier, 2018- ; L.J. van Valen, In God verbonden. Gereformeerde vroomheidsbetrekkingen tussen Schotland en de Nederlanden in de zeventiende eeuw, met name in de periode na de Restauratie (1660-1700). Apeldoorn: Labarum Academic, 2019.

Nadere Reformatie (2)

Inleiding

In de vorige blog hebben we stil gestaan bij de vraag waar de term Nadere Reformatie vandaan komt en wat de definitie daarvan is. In deze tweede blog willen we stil staan bij de oorzaken of de aanleiding van het ontstaan van de Nadere Reformatie in Nederland.

De oorzaken of de aanleiding van het ontstaan van de Nadere Reformatie

Door de Reformatie is het heldere licht van Gods Woord weer op de kandelaar geplaatst. De leer van de rechtvaardiging door het geloof was door Gods hand door middel van de reformatoren helder verwoord. Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn wel onderscheiden maar niet gescheiden van elkaar, evenals leer en leven. De reformatoren, onder leiding van Luther en Calvijn, hadden in de zestiende eeuw de rechte leer aan het licht gebracht. In de Nadere Reformatie werd meer de nadruk op het rechte leven gelegd.

Hoewel aan het begin van de zeventiende eeuw de Gereformeerde Kerk de officiële kerk in de Nederlanden was geworden, betekende dat echter niet dat iedereen belijdend lid daarvan was. Als men geen belijdend lid was, had men namelijk geen toegang tot verschillende maatschappelijke posities. Omwille daarvan gebeurde het dat velen zich uitwendig bij de Gereformeerde Kerk voegden. Dit gold zelfs ook voor de ambtsdragers. Velen hadden een invloedrijke positie in het maatschappelijke leven. Er zijn zelfs cijfers bekend dat maar 10% van de inwoners in de Nederlanden belijdend lid was van de Gereformeerde Kerk.[1]

In die tijd waren er allerlei zonden in zwang. Als we verschillende reformatieteksten omstreeks het midden van de zeventiende eeuw lezen, blijkt dat er heel wat te verbeteren was. Om een korte indruk van de zonden van die tijd te geven, citeer ik een aantal zaken. Het vloeken en zweren nam onder jong en oud schrikbarend toe. Atheïsme en libertinisme vierden hoogtij, waarmee dan gedoeld wordt op onverschilligheid en formalisme in het godsdienstige leven. De vromen werden algemeen bespot, met hatelijke bijnamen nageroepen en hun gesprekken met goedkope grappen afgebroken. Deze onverschilligheid uitte zich vooral rondom de openbare eredienst. Velen kwamen onder het gehoor zonder enige geestelijke voorbereiding of interesse. Anderen bleven uit de kerk, voornamelijk in de week en op zondagmorgen. Het belijdenis-doen, de verzegeling van de doopbelofte, stelden velen uit en gemeenteleden verzuimden om ongegronde redenen deelname aan het Heilig Avondmaal. Men maakte van de zondag een zondendag. Alcoholisme en dronkenschap waren aan de orde van de dag. De bordelen trokken veel bezoekers en de seksuele losbandigheid was groot. De onkuisheid werd mede in de hand gewerkt door de mode. Er werd geld verkwist aan lange en overdadige maaltijden en ook in de woninginrichting en meubilering leek het alsof men boven zijn stand wilde leven. Ouders gaven hun kinderen een verkeerde opvoeding – huisgodsdienstoefeningen werden algemeen nagelaten – en bij de jeugd ontbrak ouderliefde. Men minachtte de overheid en was onwillig om belasting te betalen.[2]

De Nadere Reformatoren hadden zich ten doel gesteld om dit te verbeteren. Men zag dat de reformatie op vele terreinen van het leven was blijven steken. In verscheidene streken en plaatsen in ons land was de reformatie nauwelijks doorgedrongen. Daarnaast bezat nog niet elke plaats een predikant of werd er geen catechetisch onderwijs gegeven. Huisbezoek werd nauwelijks gedaan.

De Nadere Reformatie sloot zich echter bewust nauw aan bij de Reformatie uit de zestiende eeuw. Zoals aangegeven, beschouwen we Willem Teellinck als de grondlegger van de Nadere Reformatie. Na zijn terugkomst uit Engeland werd hij in 1607 predikant en voelde hij zich geroepen, in navolging van wat hij in Engeland gezien had, ten uitvoer te brengen in de Nederlanden. Zijn eerste werk Philopatris, dat uitkwam in 1608, handelt dan ook over de reformatie van de zeden. Al vrij snel werd dit opgevolgd door een boekje dat handelt over de sabbatheiliging. Zijn bekendste werk publiceerde hij in 1627: Het Noodwendig Vertoog aangaande den tegenwoordighen bedroefden staet van Gods volck. Dit werk kan gelden als de eerste alomvattende programmering van concrete hervormingen op kerkelijk, maatschappelijk en politiek vlak en kent een rijpheid die in het vervolg van de Nadere Reformatie nauwelijks is geëvenaard.[3]


[1] De Vrijer, M.J.A., Schortinghuis en zijn analogieën, uitgave Amsterdam 1942, 10.

[2] Van Lieburg, F.A., De Nadere Reformatie in Utrecht ten tijde van Voetius, uitgave Rotterdam 1989, 37-38.

[3] Op ’t Hof, W.J. e.a., Nadere Reformatie: opnieuw een poging tot begripsbepaling, uitgave 1995, paragraaf V1.1.

H. Koopman

Nadere Reformatie (1)

Inleiding

Ongeveer vierhonderd jaar geleden reisde een Nederlands student ter afronding van zijn rechtenstudie in Frankrijk naar Engeland. Zijn naam was Willem Teellinck. Na zijn aanvankelijke studie aan de Leidse universiteit, studeerde hij aan diverse universiteiten in Frankrijk, Engeland en Schotland. Tijdens deze laatste reis kwam hij aan te Banbury, een plaats ten noorden van Oxford. In deze plaats kwam hij in contact met het Engelse puritanisme. De puriteinen hebben een beslissende wending gegeven aan de rest van zijn leven en niet alleen aan zijn leven, maar ook aan het kerkelijk leven in Nederland.

De kern van het Engelse puritanisme bestond in drie hoofdzaken: de praktijk van de godzaligheid, een gezonde theologie en een kerkelijk leven dat is geordend in overeenstemming met het Woord van God.[1] Deze puriteinen waren echter niet alleen ‘puur’ in de leer, maar ook in de wandel. Zij spraken meer door hun wandel dan door hun woorden. Hierdoor hadden ze ook een grote invloed op het kerkelijk leven in die tijd. Bekende Engelse puriteinen die Teellinck in Engeland ontmoette, waren o.a. Arthur Hildersham (1563-1632) en John Dod (1549-1645). De acht of negen maanden die Teellinck in de kring van deze puriteinse piëtisten heeft doorgebracht, hebben zijn hele leven gestempeld. In die tijd kwam Teellinck tot bekering door middel van een particuliere biddag.

Het onderwerp Nadere Reformatie, dat we naar voren willen brengen, is sterk gerelateerd aan de persoon van Willem Teellinck. Hij wordt wel de vader van de Nadere Reformatie genoemd. Aan de hand van onderstaande onderverdeling zal ik verschillende aspecten van het ontstaan van de Nadere Reformatie behandelen:

  • Waar komt de term Nadere Reformatie vandaan en wat is de definitie ervan?
  • De oorzaken of de aanleiding van het ontstaan van de Nadere Reformatie
  • De verbreiding van de Nadere Reformatie
  • De kenmerken van de Nadere Reformatie
  • Een aantal lessen van de Nadere Reformatie voor het heden

In deze eerste blog wordt de eerste vraag beantwoord.

Waar komt de term Nadere Reformatie vandaan?

De uitdrukking ‘Nadere Reformatie’ werd reeds gebruikt door zeventiende-eeuwse vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, evenals het equivalent ‘vorder reformatie’. Ongetwijfeld gaat het hierbij oorspronkelijk om een letterlijke vertaling van de onder Engels-puriteinse geestverwanten gangbare term ‘further reformation’.

De suggestie is zelfs onderbouwd dat deze begripsovername teruggaat op gesprekken die in januari 1604 in Hampton Court werden gehouden door calvinistische predikanten ter voorbereiding van een petitie, waarschijnlijk het Millenarie verzoekschrift. Dit is zo genoemd omdat het door meer dan duizend handen ondertekend werd. Het droeg als opschrift: ‘Het ootmoedige verzoek der leraren van de Kerk van Engeland, reformatie begerende van zekere ceremoniën en misbruiken der Kerke’.[2] Dit geschrift was gericht aan koning James I en had als doel om de anglicaanse kerk op de nodige punten in overeenstemming met Gods Woord te brengen. Eén van de opstellers, Arthur Hildersham, had toen contact met de in Engeland verblijvende jonge jurist Willem Teellinck. Als predikant zou hij het piëtistisch-puriteinse reformatiestreven vervolgens in de Nederlanden introduceren. In verschillende geschriften repte deze hoofdvertegenwoordiger van de Nadere Reformatie over ‘vorder reformatie der dinghen, die onder ons ontsteld zijn’. Belangrijke voorbeelden van het gebruik van de uitdrukking ‘Nadere Reformatie’ zijn gevonden in de acta van de gereformeerde kerkenraad van Utrecht. Daarin wordt in 1660 de Dordtse overwinning van de calvinisten in 1619 aangeduid als ‘de naerder reformatie en verlossinge der kercken uyt de remonstrantsche dwaelingen en troublen’. Vijf jaar later vindt men een beschrijving van ‘Middelen van nader reformatie der seden in dese gemeinte ontstelt, ter occasie van den swaren Engelschen oorlog en geleden nederlage.’ Een bundeling van dergelijke Zeeuwse programma’s werd in 1682 door de Utrechtse boekdrukker Willem Clerck uitgegeven onder de titel Concept van nader reformatie in de leer, orde en zeden (..). Verder verwijst een andere hoofdvertegenwoordiger van de beweging, Jacobus Koelman, in zijn geschriften soms naar voorgangers die een ‘verder reformatie’ respectievelijk ‘nader reformatie’ in de Gereformeerde Kerk in Nederland hebben nagestreefd.


[1] Lewis, P., The Genius of Puritanism, uitgave Haywards Heath, Sussex 1975, 11.

[2] Neal, D., Historie der rechtzinnige puriteinen, uitgave Rotterdam 1752, 3-4.

H. Koopman


Jonathan Edwards (1703-1758)

Jonathan Edwards kan met recht Amerika’s grootste theoloog worden genoemd. Hij was in de eerste plaats een opwekkingstheoloog. Nadat hij in de gemeente Northampton in Massachusetts in de jaren 1734-’35 een opwekking meemaakte schreef hij daarover een verslag onder de titel Faithful Narrative of the Surprising Work of God…. (Nederlandse vertaling: Die God leeft nog!). Dit boekje functioneerde als een katalysator voor opwekking. Op tal van plaatsen in de Westerse wereld begonnen christenen te verlangen naar en te bidden om geestelijke opleving. Deze opwekking is gekomen in de jaren 1740-’45. George Whitefield had een belangrijke plaats in deze Great Awakening.

De Great Awakening heeft vooral Amerika gestempeld. Hier lagen de kiemen voor de latere afschaffing van de slavernij, tal van geestelijke gezangen zijn in deze periode ontstaan, nieuwe universiteiten werden gesticht, het baptisme kreeg een impuls, terwijl er ook lijnen lopen naar de onafhankelijkheid van Amerika. Het belangrijkste is wel dat vanuit deze opwekking de internationale protestantse zending een enorme impuls heeft gekregen.

Al tijdens de Great Awakening was er een intense discussie over de aard van deze opwekking. Was het allemaal psychologie, emotie en wanorde, of ging het hier om een werk van de Heilige Geest? Jonathan Edwards kruiste de degens met tal van critici in tal van geschriften. Zijn positie kwam hierop neer dat hij de Great Awakening in de kern erkende als een werk van de Heilige Geest waarin veel mensen tot bekering zijn gekomen en een geestelijke verdieping ondergingen. Tegelijk zag hij dat er ook psychologische aspecten aan de opwekking zaten. Hij vond dat als zodanig niet problematisch, maar het was wel nodige het psychologisch-emotionele element te onderscheiden van het geestelijke element. Niet elke emotie was het effect van het werk van de Heilige Geest, terwijl het heel goed mogelijk is dat de kracht van de Geest in ons hart ook emotionele effecten heeft. Deze benadering is het diepste uitgewerkt in Religious Affections.

Edwards is ook van betekenis voor de prediking. Hij was in staat om in zijn preken niet alleen het hoofd van de hoorders te bereiken, maar ook hun affectieve dimensie. Dit betekent dat predikanten tot op de dag veel kunnen leren van het beeldend taalgebruik van Edwards waarmee hij in staat was om theologische thema’s van hel en hemel, Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid, liefde  en heiligheid aan het hart van zijn hoorders te leggen.

Edwards doordacht het geheel van de theologie op een originele manier. Zo gebruikte hij de geschiedenis als een raamwerk voor de theologie. Sommige geschriften kenmerken zich door een diepzinnige wijsgerige doordenking van thema’s. Hij hield zich ook bezig met de grote vragen van de wetenschap in relatie tot het christelijk geloof. Ten slotte is het goed te weten dat zijn werken regelmatig in het Nederlands zijn vertaald.

W. van Vlastuin  

Pastoraat tijdens de pest in Groningen rond 1650

Bron:particuliere collectie auteur

Pastoraat tijdens de pest in Groningen rond 1650

De uitbraak van het Corona-virus, en de gevolgen waarmee het gepaard gaat, beheersen op dit moment ons dagelijks leven. Op zich is de uitbraak van een besmettelijke ziekte niet nieuw in Nederland. In verschillende geschriften en preken wordt melding gemaakt van de uitbraak van besmettelijke ziekte. In deze blog wil ik aandacht vragen voor de pestuitbraak die plaats vond in 1656 in de stad Groningen.

Johannes Martinus

In die tijd stond ds. Johannes Martinus (1603-1665), de schoonvader van de bekende Abraham Trommius (1633-1719), te Groningen. Johannes Martinus werd in 1603 geboren in de toenmalige Duitse vrije rijksstad Danzig, tegenwoordig Gdansk in Polen. Na zijn studie in Bremen, waar hij bevriend raakte met Johannes Coccejus, studeerde hij verder in Frankfurt an der Oder en sloot hij zijn studie af te Franeker. Terugkeer naar Danzig was niet mogelijk, waardoor hij zich beroepbaar stelde in Friesland. Vanaf 1627 stond hij in Deinum, vanwaar hij in 1637 het beroep naar Groningen aannam. Groningen was een stad met 20.000 inwoners en was het bestuurlijke en sociaal-economisch centrum van het gewest Stad en Lande, alsook een belangrijke vestingstad.

De pest

Toen Martinus daar stond, brak de pest uit in 1656. Zijn familie raakte besmet en in een tijd van zes weken stierven zijn vrouw, zijn schoonzus, een kleinkind en zijn drie zonen. Martinus bleef als predikant op zijn post en bleef zijn ambtelijk werk uitvoeren. Hierop kreeg hij forse kritiek van een aantal gemeenteleden. De kern van hun kritiek was dat hij zijn pastorale werk voortzette zonder de quarantainemaatregelen voldoende in acht te nemen. Deze maatregelen waren het mijden van huizen waar de pest was, het verbod op het bezoeken van besmette personen en het ontvangen van bezoek, als men zelf of huisgenoten waren getroffen door de pest.

Zijn apologie

Op grond hiervan schreef Martinius een apologie waarin hij zich verdedigde. Deze apologie is opgenomen in het boek dat Martinus schreef met als titel: Eenige vragen van de conscientie aengaende de bedroefde sieckte der Pestilentie Uyt de H. Schrifture beantwoordt. Als oock Cyprianus van de Sterfte ofte Peste, getrouwlick uyt ’t Latijn overgeset. Mitsgaders Eenige gebeden op deselve gepast. Het boek verscheen in 1657 te Groningen, bij de uitgever Frans Bronchorst.

De opzet van het boekje is als volgt:

1. Twintig vragen en antwoorden met betrekking tot de pest, waarin het beleid van de Heere met die ziekte en uw plicht ten opzichte daarvan in eenvoudige woorden wordt weergegeven. Deze vragen zijn: kan een godzalig kind van God getroffen worden door de pest? Hoe kan het zijn dat God deze straf, die geldt als één van de zwaarste straffen, daarvoor gebruikt? Hoe is het mogelijk dat een kind van God zo’n plaag als de pest kan overkomen, die een teken is van Gods toorn? Strijdt het niet tegen de belofte uit Ps. 91 dat Hij Zijn kinderen voor de pest bewaart? Wat is het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen wanneer ze bezocht worden door de pest? Hoe kan een kind Gods zich van deze oorzaken en het onderscheid verzekeren, daar ze lijken te strijden tegen de voorzienigheid van God? Wat staat een kind van God te doen, als de pest uitbreekt in de plaats waar hij woont? Wat moet men doen om zich te wapenen tegen de vrees voor de pest? Is het een kind van God geoorloofd om middelen te gebruiken om de pest te weren en zijn gezondheid te herstellen? Mag een kind van God wegvluchten van de plaats waar de pest woedt? Hoe moet een kind van God zich gedragen als zijn eigen huis wordt aangetast? Hoe moet een kind van God zich gedragen als hij zelf wordt aangetast door de pest?  Wat is de roeping van een kind van God buitenshuis als iemand van zijn familie, vrienden, buren, andere bekenden of iemand anders, aangetast wordt door de pest? Mag een kind van God huizen waar de pest woedt, bezoeken en de noodlijdende mensen daar helpen? Hoe moet een kind van God zich gedragen in reactie op beschuldigingen van vreesachtigheid of vermetelheid? Waarmee zal een kind van God zich troosten, als de Heere zijn vrouw, kinderen, ouders of andere vrienden wegneemt? Wat is een kind van God schuldig aan de Heere, als hij bewaard wordt ten tijde van de pest, of hersteld wordt nadat hij door de pest bezocht is?

2. Het traktaat van de kerkvader Cyprianus (?-258 n.Chr) over de ziekte die in korte tijd veel mensen en dieren doet sterven. Daaraan is het een en ander uit de kerkhistorie toegevoegd.

3. Twintig formulieren van gebeden die in tijden van pestziekte in allerlei omstandigheden gebruikt kunnen worden.

Zie hier voor een langere versie.

Auteur: drs. ing. H. Koopman

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag